Uitspraak
9 oktober 2015, 15/1159 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank Amsterdam oordeelde echter dat betrokkene recht had op opvang conform de bed-bad-broodvoorziening en vernietigde het besluit van het college.
Het college stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad overwoog dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voldoende voorliggende voorziening kan worden aangemerkt die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Dit oordeel is in lijn met eerdere jurisprudentie van de Raad. De stelling van betrokkene dat de voorwaarde van medewerking aan vertrek uit de VBL onrechtmatig is, leidt niet tot een ander oordeel omdat de beoordeling van die rechtmatigheid aan andere bestuursorganen is voorbehouden.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van het college ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 21 december 2016.
Uitkomst: Het beroep van het college wordt gegrond verklaard en betrokkene heeft geen recht op maatschappelijke opvang op grond van de Wmo vanwege de beschikbaarheid van opvang in een VBL.