Uitspraak
9 oktober 2015, 15/1764 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van het koppelingsbeginsel in de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wmo. Het college wees deze aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank oordeelde echter dat betrokkene recht had op opvang conform de Wmo.
Het college ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voldoende voorliggende voorziening geldt die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Dit oordeel is gebaseerd op eerdere jurisprudentie en internationale verplichtingen.
Betrokkene stelde dat de voorwaarde van medewerking aan vertrek uit de VBL onrechtmatig is in zijn bijzondere omstandigheden, maar de Raad verwierp dit omdat de beoordeling van die voorwaarde aan andere bestuursorganen is voorbehouden. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van het college ongegrond, waarmee de afwijzing van de aanvraag werd bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van het college wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag maatschappelijke opvang blijft in stand.