Uitspraak
13 oktober 2015, 15/666 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens het koppelingsbeginsel van de Vreemdelingenwet 2000, diende een aanvraag in voor maatschappelijke opvang op grond van de Wmo bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Deze aanvraag werd op 22 september 2014 afgewezen en het bezwaar van betrokkene werd op 26 januari 2015 ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat betrokkene recht had op maatschappelijke opvang conform de bed-bad-broodvoorziening. Het college stelde hiertegen hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelt dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een voorliggende voorziening is die voldoet aan de internationale verplichtingen tot opvang en daarmee de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Betrokkene had op de hoogte kunnen zijn van deze mogelijkheid, waardoor het beroep van betrokkene niet kan slagen.
De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van het college gegrond en het beroep van betrokkene ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd.