Uitspraak
13 oktober 2015, 15/955 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, vroeg maatschappelijke opvang aan bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Het college wees deze aanvraag af op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Betrokkene maakte bezwaar, dat door het college ongegrond werd verklaard.
De rechtbank Amsterdam oordeelde echter dat betrokkene recht had op maatschappelijke opvang conform de bed-bad-broodvoorziening en vernietigde het besluit van het college. Het college stelde hiertegen hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een voorliggende voorziening is die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. De stelling van betrokkene dat de medewerking aan vertrek als voorwaarde onrechtmatig is, leidt niet tot een ander oordeel omdat de beoordeling daarvan aan de staatssecretaris en uiteindelijk aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is voorbehouden.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van het college gegrond, waardoor het verzoek van betrokkene om maatschappelijke opvang op grond van de Wmo werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van het college wordt gegrond verklaard en de aanvraag maatschappelijke opvang op grond van de Wmo wordt afgewezen wegens opvang in een voorliggende voorziening (VBL).