Uitspraak
13 oktober 2015, 15/697 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, diende een aanvraag in voor maatschappelijke opvang op grond van de Wmo. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag af, wat betrokkene aanvocht bij de rechtbank. De rechtbank gaf betrokkene gelijk en bepaalde dat hij recht had op opvang conform de bed-bad-broodvoorziening.
Het college stelde hiertegen hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad overwoog dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voldoende en voorliggende voorziening geldt, die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Betrokkene stelde dat de medewerkingseis aan vertrek uit de VBL onrechtmatig was, maar de Raad oordeelde dat deze beoordeling voorbehouden is aan de staatssecretaris en uiteindelijk de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De beslissing bevestigt dat de opvang in een VBL voldoet aan de internationale verplichtingen en dat de Wmo-opvang niet nodig is zolang deze voorliggende voorziening beschikbaar is.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag maatschappelijke opvang bevestigd.