Uitspraak
13 oktober 2015, 15/1062 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wmo. Het college wees deze aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en bepaalde dat hij recht had op maatschappelijke opvang conform de bed-bad-broodvoorziening.
Het college stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een voorliggende voorziening is die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. De Raad bevestigde dat een vreemdeling gebruik kan maken van opvang in een VBL en dat deze opvang voldoende invulling geeft aan de positieve verplichting tot opvang uit het internationaal recht.
De Raad verwierp het verweer van betrokkene dat de voorwaarde van medewerking aan vertrek uit de VBL onrechtmatig zou zijn, omdat deze beoordeling aan de staatssecretaris en uiteindelijk aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is voorbehouden. Het hoger beroep van het college werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van betrokkene ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt toegewezen en het beroep van betrokkene op maatschappelijke opvang op grond van de Wmo wordt ongegrond verklaard.