Uitspraak
16 oktober 2015, 15/614 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college wees deze aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en bepaalde dat betrokkene recht had op opvang volgens de bed-bad-broodvoorziening.
Het college stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voldoende en voorliggende voorziening geldt die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Dit oordeel is in lijn met eerdere jurisprudentie van de Raad. De Raad verwierp het verweer van betrokkene dat de medewerking aan vertrek uit de VBL onrechtmatig zou zijn, omdat dit de feitelijke beschikbaarheid van de VBL niet aantast.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. De beoordeling van de rechtmatigheid van de voorwaarden verbonden aan de VBL is voorbehouden aan de staatssecretaris en uiteindelijk aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.