Uitspraak
16 oktober 2015, 15/616 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van het koppelingsbeginsel in de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college wees deze aanvraag af, waarna betrokkene bezwaar maakte dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank stelde betrokkene in het gelijk en bepaalde dat hij recht had op opvang via de bed-bad-broodvoorziening.
Het college stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voldoende en voorliggende voorziening geldt die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Dit oordeel is in lijn met eerdere jurisprudentie van de Raad.
Betrokkene stelde dat de voorwaarde van medewerking aan vertrek uit de VBL onrechtmatig is in zijn bijzondere omstandigheden, maar de Raad verwierp dit omdat de beoordeling van die voorwaarde aan de staatssecretaris en uiteindelijk aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is voorbehouden.
De Raad vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep van het college gegrond en het beroep van betrokkene ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien tot het opleggen van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard en het beroep van betrokkene ongegrond; de aanvraag maatschappelijke opvang wordt afgewezen wegens beschikbaarheid van opvang in een VBL.