Uitspraak
16 oktober 2015, 15/619 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, vroeg maatschappelijke opvang aan op grond van de Wmo. Het college wees deze aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank oordeelde echter dat betrokkene recht had op opvang conform de bed-bad-broodvoorziening.
Het college stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat opvang in een VBL als een voldoende en voorliggende voorziening geldt, waarmee wordt voldaan aan de internationale verplichting tot opvang. Dit maakt opvang op grond van de Wmo overbodig.
Hoewel betrokkene niet werd toegelaten tot de VBL en bezwaar maakte, is dit volgens de Raad een kwestie voor de vreemdelingenrechter en uiteindelijk de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De stelling dat de voorwaarde van medewerking aan vertrek onrechtmatig is, verandert hier niets aan.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van het college gegrond, waardoor het beroep van betrokkene ongegrond werd verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak wordt vernietigd.