Uitspraak
16 oktober 2015, 15/626 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college wees deze aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank stelde betrokkene in het gelijk en bepaalde dat hij recht had op opvang via de bed-bad-broodvoorziening.
Het college stelde hiertegen hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelde dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een voorliggende voorziening is die de noodzaak van Wmo-opvang wegneemt. De Raad verwees naar een eerdere uitspraak waarin werd vastgesteld dat vreemdelingen gebruik kunnen maken van opvang in een VBL en dat dit voldoende invulling geeft aan de internationale verplichtingen tot opvang.
Betrokkene stelde dat de voorwaarde van medewerking aan vertrek vanuit de VBL onrechtmatig was, maar de Raad vond dat dit de feitelijke beschikbaarheid van de VBL niet aantast. De beoordeling van de rechtmatigheid van deze voorwaarde behoort aan de staatssecretaris en uiteindelijk aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State toe.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van het college gegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, waardoor betrokkene geen recht heeft op maatschappelijke opvang op grond van de Wmo.