Uitspraak
16 oktober 2015, 15/334 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
7 juli 2014 afgewezen.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college wees deze aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank Amsterdam oordeelde echter dat betrokkene recht had op opvang op grond van de Wmo en vernietigde het besluit van het college.
Zowel betrokkene als het college gingen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad overwoog dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een voorliggende voorziening is die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Dit oordeel is in lijn met eerdere jurisprudentie van de Raad. Het feit dat vreemdelingen zoals betrokkene niet altijd worden toegelaten tot de VBL leidt niet tot een ander oordeel, omdat tegen weigering beroep mogelijk is bij de vreemdelingenrechter.
De Raad vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van het college gegrond. Het beroep van betrokkene werd ongegrond verklaard. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten. De beslissing werd uitgesproken door H.J. de Mooij op 21 december 2016.
Uitkomst: Het beroep van het college wordt gegrond verklaard en het beroep van betrokkene ongegrond, waarbij de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.