ECLI:NL:CRVB:2016:4958
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van arbeidsongeschiktheid en weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als woonzorgbegeleidster, meldde zich ziek met gewrichtsklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de arbeidsmogelijkheden juist waren vastgesteld. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen werden onderschat, mede gezien haar latere Ziektewet-uitkering wegens cardiale en psychische klachten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn standpunt overtuigend had onderbouwd met de beschikbare medische informatie en dat de beperkingen en arbeidsmogelijkheden op juiste wijze waren vastgelegd. De Raad bevestigde daarom het eerdere oordeel en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.