Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:500

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 februari 2016
Publicatiedatum
17 februari 2016
Zaaknummer
14/3197 WARZO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29a ZWWet arbeid en zorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging ZW-uitkering na zwangerschap en bevalling

Appellante is op 21 januari 2011 bevallen via een keizersnede en ontving tot 13 mei 2011 een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg. Vanaf 14 mei 2011 meldde zij zich ziek met klachten gerelateerd aan zwangerschap en bevalling, waarop het Uwv een Ziektewet-uitkering toekende.

Na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek op 30 november 2012 besloot het Uwv dat appellante vanaf 7 december 2012 niet langer arbeidsongeschikt was door haar zwangerschap of bevalling. Dit besluit werd gebaseerd op een rapport van een verzekeringsarts van 5 december 2012. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het Uwv verklaarde dit bezwaar ongegrond bij besluit van 4 juni 2013.

Appellante stelde beroep in tegen het bezwaarbesluit, maar de rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de motivering deugdelijk was. In hoger beroep herhaalde appellante haar eerdere gronden, maar de Centrale Raad van Beroep vond geen aanleiding tot een ander oordeel en bevestigde het vonnis van de rechtbank.

De Raad overwoog dat op grond van artikel 29a, vierde lid, van de Ziektewet de uitkering kan worden verlaagd indien de arbeidsongeschiktheid niet langer samenhangt met zwangerschap of bevalling. De verlaging van 100% naar 70% van het dagloon was daarom terecht. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de ZW-uitkering terecht is verlaagd van 100% naar 70% van het dagloon.

Uitspraak

14/3197 WARZO
Datum uitspraak: 17 februari 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
22 april 2014, 13/3730 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting in deze zaak heeft, gevoegd met de zaak 14/3196 ZW, plaatsgevonden op 6 januari 2016. Appellante en mr. Kaya zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken weer gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is op 21 januari 2011 bevallen middels een sectio. Zij heeft tot en met 13 mei 2011 uitkering ontvangen op grond van de Wet arbeid en zorg. Zij heeft zich per 14 mei 2011 ziek gemeld met aan de zwangerschap en bevalling gerelateerde klachten. Het Uwv heeft haar een uitkering toegekend op grond van de Ziektewet (ZW).
1.2.
Na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek op 30 november 2012 heeft het Uwv bij besluit van diezelfde datum bepaald dat appellante per 7 december 2012 niet langer arbeidsongeschikt is door zwangerschap of bevalling. Aan dit besluit ligt een rapport ten grondslag van de verzekeringsarts van 5 december 2012.
1.3.
Appellante heeft tegen het besluit van 30 november 2012 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 4 juni 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard en zijn besluit van 30 november 2012 gehandhaafd. Het bestreden besluit is gebaseerd op een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 juni 2013.
2. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verzekeringsartsen van het Uwv zorgvuldig onderzoek hebben verricht en dat deugdelijk is gemotiveerd dat en waarom de arbeidsongeschiktheid van appellante vanaf 7 december 2012 niet langer is gerelateerd aan haar zwangerschap en bevalling.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep verwezen naar wat zij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 29a, vierde lid, van de ZW heeft de vrouwelijke verzekerde aansluitend aan de eindiging van het recht op uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg gedurende ten hoogste 104 weken recht op ziekengeld ter hoogte van haar dagloon, indien de ongeschiktheid tot het verrichten van haar arbeid haar oorzaak vindt in de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap. Het bestreden besluit heeft tot gevolg gehad dat de
ZW-uitkering van appellante met ingang van 7 december 2012 is verlaagd van 100% naar 70% van haar dagloon.
4.2.
De in hoger beroep herhaalde gronden geven geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellante heeft in haar hogerberoepschrift noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de in beroep naar voren gebrachte gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dat wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen waarop dat oordeel rust.
4.3.
De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2016.
(getekend) M. Greebe
(getekend) N. Veenstra

HD