ECLI:NL:CRVB:2016:500
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging ZW-uitkering na zwangerschap en bevalling
Appellante is op 21 januari 2011 bevallen via een keizersnede en ontving tot 13 mei 2011 een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg. Vanaf 14 mei 2011 meldde zij zich ziek met klachten gerelateerd aan zwangerschap en bevalling, waarop het Uwv een Ziektewet-uitkering toekende.
Na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek op 30 november 2012 besloot het Uwv dat appellante vanaf 7 december 2012 niet langer arbeidsongeschikt was door haar zwangerschap of bevalling. Dit besluit werd gebaseerd op een rapport van een verzekeringsarts van 5 december 2012. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het Uwv verklaarde dit bezwaar ongegrond bij besluit van 4 juni 2013.
Appellante stelde beroep in tegen het bezwaarbesluit, maar de rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de motivering deugdelijk was. In hoger beroep herhaalde appellante haar eerdere gronden, maar de Centrale Raad van Beroep vond geen aanleiding tot een ander oordeel en bevestigde het vonnis van de rechtbank.
De Raad overwoog dat op grond van artikel 29a, vierde lid, van de Ziektewet de uitkering kan worden verlaagd indien de arbeidsongeschiktheid niet langer samenhangt met zwangerschap of bevalling. De verlaging van 100% naar 70% van het dagloon was daarom terecht. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de ZW-uitkering terecht is verlaagd van 100% naar 70% van het dagloon.