Uitspraak
17 juli 2014, 14/1969 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante, werkzaam als pedagogisch medewerkster, meldde zich ziek met pijn- en vermoeidheidsklachten. Het UWV oordeelde na medisch onderzoek dat zij geschikt was voor arbeid en wees de Ziektewetuitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat de medische klachten onvoldoende objectief waren vastgesteld en geen beperkingen voor arbeid verrichtten.
In hoger beroep stelde appellante dat haar fibromyalgie onvoldoende werd erkend en verwees naar een medisch rapport dat haar klachten bevestigde. De Raad concludeerde echter dat deze brief geen beperkingen voor arbeid op de relevante datum aantoonde en dat het oordeel van de verzekeringsarts, die een somatoforme stoornis vaststelde, voldoende gemotiveerd en betrouwbaar was.
De Raad vond geen nieuwe medische informatie die het eerdere oordeel zou ondermijnen en bevestigde daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank. Proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de Ziektewetuitkering bevestigd.