Uitspraak
1 juli 2014, 13/2163 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als grafisch vormgever, meldde zich ziek en ontving aanvankelijk een Ziektewet-uitkering. Het UWV stelde dat appellant vanaf 5 november 2013 geschikt was om de functie van wikkelaar te vervullen en beëindigde de uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd overwogen dat de medische beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig en onderbouwd was.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij leed aan een depressieve stoornis en paniekstoornis, waardoor hij niet in staat zou zijn de functie uit te oefenen. De Raad concludeerde echter dat de door appellant overgelegde medische informatie onvoldoende bewijs leverde dat hij op de datum in kwestie ernstiger beperkt was dan vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had de beperkingen adequaat in kaart gebracht.
De Raad oordeelde dat appellant vanaf 5 november 2013 medisch gezien geschikt was voor de functie van wikkelaar en bevestigde daarmee het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de Ziektewet-uitkering per 5 november 2013 bevestigd.