ECLI:NL:CRVB:2016:5068

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 december 2016
Publicatiedatum
29 december 2016
Zaaknummer
15/7912 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wuv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op gelijkstelling als vervolgde op grond van Wuv wegens onvoldoende verbondenheid met Nederland

Appellante, geboren in 1929 en woonachtig in de Verenigde Staten, diende in mei 2014 een aanvraag in op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag op 8 januari 2015 af omdat appellante niet voldeed aan de vereisten van nationaliteit en woonplaats. Hoewel zij vervolging heeft ondergaan, ontbrak het aan de Nederlandse nationaliteit en een hechte en duurzame verbondenheid met Nederland.

Appellante maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard bij het bestreden besluit van 8 oktober 2015. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 3, eerste lid, Wuv, en dat ook de uitzondering van gelijkstelling op grond van het tweede lid niet van toepassing is.

Uit de stukken blijkt dat appellante minder dan tien jaar in Nederland gevestigd was, namelijk in de periodes 1938-1946 en 1947-1948. Het sociaal rapport en andere stukken bevestigen geen langere of hechtere verbondenheid. Het beleid van verweerder vereist bij verblijf korter dan tien jaar zeer bijzondere omstandigheden voor gelijkstelling, die in deze zaak niet zijn aangetoond.

De Raad bevestigt dat de specifieke uitzonderingen op de regel, zoals een sterke band vóór vestiging of vervolging vanuit Nederland gevolgd door minderjarigheid en vertrek, niet van toepassing zijn. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Beroep ongegrond verklaard wegens onvoldoende verbondenheid met Nederland voor gelijkstelling als vervolgde.

Uitspraak

15/7912 WUV
Datum uitspraak: 29 december 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)
PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 8 oktober 2015, kenmerk BZ01828723 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2016. Appellante is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante, geboren in 1929 en woonachtig in de Verenigde Staten, heeft in mei 2014 een aanvraag krachtens de Wuv ingediend. Bij besluit van 8 januari 2015 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Daarbij is te kennen gegeven dat is komen vast te staan dat appellante vervolging heeft ondergaan in de zin van de Wuv. Wat nationaliteit en woonplaats betreft, voldoet zij echter niet aan de gestelde eisen. Appellante heeft niet de Nederlandse nationaliteit en heeft deze ook nooit gehad. In een dergelijk geval kan men bij wijze van uitzondering met de vervolgde gelijk worden gesteld. Er moet dan sprake zijn van een hechte en duurzame verbondenheid met Nederland. Aan die voorwaarde is volgens verweerder in het geval van appellante niet voldaan.
1.2.
Appellante heeft tegen het besluit van 8 januari 2015 bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
2.1.
Niet in geschil is dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden die in artikel 3, eerste lid, van de Wuv, ten aanzien van het Nederlanderschap of het gevestigd zijn in Nederland worden gesteld aan erkenning als vervolgde in de zin van de Wuv. Het geschil spitst zich daarom toe op de vraag of verweerder appellante met toepassing van het tweede lid van artikel 3 van Pro de Wuv met de vervolgde gelijk had moeten stellen.
2.2.
Uit de gedingstukken komt naar voren dat appellante in Nederland gevestigd was gedurende een periode in de jaren 1938 tot 1946, alsmede gedurende een periode in
1947-1948. Volgens de persoonskaart van appellante is deze laatste periode aangevangen in september 1947. Ook als de telling wordt begonnen rond de geboorte van de zoon van appellante in juni 1947 in Amsterdam, heeft de periode van vestiging in Nederland in totaal minder dan tien jaar beslagen. Door appellante zijn wisselende periodes in de jaren ’50 genoemd waarin zij naar haar zeggen eveneens in Nederland was gevestigd, maar de stukken, daaronder begrepen het sociaal rapport, bieden daar geen bevestiging van. Verweerder is er dus niet ten onrechte van uitgegaan dat appellante minder dan tien jaar in Nederland gevestigd is geweest.
2.3.
Het is vast beleid van verweerder dat bij een verblijf in Nederland van minder dan tien jaar, slechts in geval van zeer bijzondere omstandigheden een hechte en duurzame verbondenheid met Nederland wordt aangenomen die aanleiding tot gelijkstelling met de vervolgde kan geven. Dit beleid is door de Raad aanvaardbaar bevonden, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 10 januari 2002, ECLI:NL:CRVB:AE1546. Verweerder kan worden gevolgd in zijn conclusie dat van zeer bijzondere omstandigheden als zojuist bedoeld in dit geval niet is gebleken. De specifieke situaties waarin verweerder de genoemde verbondenheid aanneemt, zijnde de situatie waarin er al vóór de vestiging in Nederland een zeer sterke band met Nederland bestond én er sprake is van bijkomende omstandigheden, alsmede de situatie waarin de vervolging vanuit Nederland heeft plaatsgevonden en de betrokkene na de oorlog een minderjarige volle wees was en kort na de oorlog, vóór het bereiken van de leeftijd van
20 jaar, naar het buitenland is vertrokken, zijn in dit geval niet aan de orde. Het bestreden besluit houdt dus stand.
2.4.
Het beroep zal ongegrond worden verklaard.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 december 2016.
(getekend) B.J. van de Griend
De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD