ECLI:NL:CRVB:2016:5113
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- G.M.G. Hink
- J.L. Boxum
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bedrijfskrediet op grond van Bbz 2004 wegens niet-levensvatbaarheid onderneming
Appellant, bijstandontvanger sinds september 2012, vroeg op 8 september 2014 een bedrijfskrediet van €35.000 aan op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) voor een onderneming gericht op export naar Oekraïne. Het college vroeg advies aan het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK), dat op 9 oktober 2014 adviseerde de aanvraag af te wijzen wegens niet-levensvatbaarheid. Het IMK stelde vast dat appellant geen ondernemerservaring had, geen financiële buffer, onduidelijke contacten in Oekraïne, een onvoldoende financieel plan en een sterk negatief vermogen.
Appellant reageerde dat het IMK op een concept-ondernemingsplan had gebaseerd, maar het IMK handhaafde het advies na beoordeling van het definitieve plan. Het college wees de aanvraag op 30 oktober 2014 af en verklaarde het bezwaar ongegrond bij besluit van 2 maart 2015. De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat het begrip levensvatbaarheid inhoudt dat het inkomen na bijstand toereikend moet zijn voor voortzetting van het bedrijf en voorziening in het bestaan. Het college mocht zich baseren op het deskundige advies van het IMK. Appellant slaagde er niet in aan te tonen dat het advies onzorgvuldig, onjuist of ondeugdelijk gemotiveerd was. Het IMK had de marktomstandigheden en financiële situatie adequaat beoordeeld, inclusief de problematische privé-schulden van appellant. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De aanvraag voor een bedrijfskrediet is afgewezen omdat het bedrijf niet levensvatbaar is.