ECLI:NL:CRVB:2016:542
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante, voormalig cateringmedewerkster, meldde zich ziek vanwege diverse klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op uitkering bestond. Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat haar beperkingen ernstiger waren dan vastgesteld.
De rechtbanken oordeelden dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen juist waren vastgesteld. Er was geen aanleiding om te twijfelen aan de deskundigheid van de verzekeringsartsen of aan de juistheid van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Ook werd geoordeeld dat er geen nieuwe medische feiten waren die een toename van de beperkingen aantoonden.
In hoger beroep herhaalde appellante grotendeels haar eerdere gronden, maar kon zij geen nieuwe medische informatie overleggen die haar standpunt ondersteunde. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbanken dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen juist waren vastgesteld. De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraken en wees de hoger beroepen af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.