Appellant, voormalig medewerker supermarkt, meldde zich ziek met familiare mediterrane koorts en psychische klachten door alcohol- en gokverslaving. Het UWV beëindigde zijn WGA-uitkering per 8 december 2012 vanwege minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Appellant verzocht later om hernieuwde toekenning van een WIA-uitkering wegens verslechterde gezondheid, waaronder ernstige alcoholverslaving, psychische klachten en lichamelijke pijn.
Het UWV weigerde de WIA-uitkering op basis van een medisch onderzoek en een arbeidskundig rapport waarin werd vastgesteld dat appellant een resterende verdiencapaciteit van 13,4% had. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de arbeidskundige functies passend waren.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad vond dat het medisch onderzoek en de motivering van het UWV voldoende waren en dat er geen aanwijzingen waren voor zwaardere beperkingen. Ook de arbeidskundige beoordeling werd als overtuigend gemotiveerd beoordeeld.
De Raad concludeerde dat de arbeidsongeschiktheid van appellant niet was toegenomen en bevestigde de beëindiging van de WIA-uitkering. Er werd geen aanleiding gezien voor het inschakelen van een deskundige of voor toekenning van proceskosten.