ECLI:NL:CRVB:2016:556
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- P. Vrolijk
- L. Koper
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek terugkomen op intrekking WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant, die sinds juni 1991 arbeidsongeschikt is, kreeg een WAO-uitkering toegekend die in 1993 werd ingetrokken. Diverse verzoeken tot herziening van deze intrekking werden door het UWV afgewezen omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd.
In 2014 diende appellant opnieuw een aanvraag in wegens vermeende toename van arbeidsongeschiktheid, ondersteund door een brief van de huisarts. Het UWV wees dit verzoek af omdat het een herzieningsverzoek betrof dat niet kon worden gehonoreerd zonder nieuwe feiten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en passeerde de schending van de hoorplicht omdat appellant niet was benadeeld. In hoger beroep voerde appellant aan dat het UWV ten onrechte niet had onderzocht of er nieuwe feiten waren sinds de intrekking in 1993.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht het verzoek afwees omdat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die herziening rechtvaardigen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht weigert terug te komen op het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering vanwege het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.