Uitspraak
OVERWEGINGEN
Gedurende het onderzoek was gebleken dat in de schuur van [adres] , (…), hennep werd geknipt. Op dinsdag 22 januari 2013, omstreeks 07.45 uur, werd binnengetreden in eerdergenoemde woningen.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) sinds 2007. In januari 2013 werd zij tijdens een politie-inval in een schuur aangetroffen waar hennep werd geknipt. De politie hield haar aan en voerde onderzoek uit, inclusief telefoontaps.
Op basis van deze bevindingen besloot het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven de bijstand van appellante over januari 2013 in te trekken en terug te vorderen, omdat zij haar inlichtingenverplichting niet had nagekomen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij slechts aanwezig was om haar nichtje te helpen en geen betrokkenheid had bij het knippen van hennep. De Raad oordeelde dat het relaas proces-verbaal, opgesteld door een hoofdagent, overtuigend bewijs leverde van haar aanwezigheid en betrokkenheid bij de hennepknipactiviteiten. Het sepot van het Openbaar Ministerie in de strafzaak deed hieraan niet af, omdat bestuursrechtelijke procedures een andere rechtsvraag en bewijslast kennen.
De Raad verwierp ook het subsidiaire argument dat intrekking slechts over één dag zou mogen plaatsvinden, omdat de bijstand per kalendermaand wordt vastgesteld. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand over januari 2013 wegens betrokkenheid bij hennepknippen wordt bevestigd.