ECLI:NL:CRVB:2016:598
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens onduidelijke woonsituatie en rechtmatig huisbezoek
Appellante, afkomstig uit Hongarije, vroeg bijstand aan bij het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Het college wees de aanvraag af omdat appellante niet woonachtig zou zijn in Den Haag. Na inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie op een adres waar ook een derde stond ingeschreven als briefadres, ontstond twijfel over haar woonsituatie.
Het college voerde een onderzoek uit, waaronder een onaangekondigd huisbezoek, waaruit bleek dat appellante en de derde persoon beiden op het adres aanwezig waren en dat er aanwijzingen waren dat zij mogelijk een gezamenlijke huishouding voerden. Appellante betwistte dit en stelde dat het huisbezoek onrechtmatig was omdat er geen redelijke grond zou zijn en zij geen geïnformeerde toestemming had gegeven.
De Raad oordeelde dat het college op grond van concrete feiten en omstandigheden redelijkerwijs mocht twijfelen aan de juistheid van de verstrekte gegevens en dat het huisbezoek daarom gerechtvaardigd was. Tevens was uit het ondertekende registratieformulier gebleken dat appellante toestemming had gegeven. Verder concludeerde de Raad dat appellante onjuiste of onvolledige gegevens had verstrekt en daarmee haar inlichtingenplicht had geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank Den Haag, en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijstand wordt bevestigd vanwege onjuiste en onvolledige gegevens over de woonsituatie en het rechtmatig huisbezoek.