ECLI:NL:CRVB:2016:67
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ontheffing arbeidsverplichtingen WWB wegens ontbreken dringende redenen
Appellante, een bijstandsgerechtigde met langdurige lichamelijke en psychische klachten, verzocht het college om ontheffing van haar arbeidsverplichtingen onder de Wet werk en bijstand (WWB). Het college verleende eerder ontheffing van de actieve sollicitatieplicht, maar niet van sociale activering of maatschappelijke werkzaamheden. Bij besluit van 15 oktober 2013, gehandhaafd na bezwaar, werd ontheffing slechts tot 1 oktober 2014 verleend voor de sollicitatieplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat appellante onvoldoende medische onderbouwing leverde voor ontheffing van andere verplichtingen. Appellante ging in hoger beroep tegen deze rechtsgevolgen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college terecht het verzoek om ontheffing op grond van dringende redenen had geweigerd. De Raad verwierp het beroep op het niet honoreren van een uitstelverzoek voor nader medisch onderzoek en stelde dat de rechtbank niet verplicht was dit te vermelden. De Raad concludeerde dat er geen aanwijzingen waren voor een wezenlijke verslechtering van de gezondheidstoestand sinds 2010 en bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank.
Er werd geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen. De uitspraak werd gedaan door R.H.M. Roelofs, in aanwezigheid van griffier C.A.W. Zijlstra, op 12 januari 2016.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af wegens het ontbreken van dringende redenen voor ontheffing.