ECLI:NL:CRVB:2016:679
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens langer verblijf buitenland zonder acute noodzaak
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand en verbleef van 8 maart 2014 tot 20 mei 2014 in het buitenland, langer dan de toegestane periode van 28 dagen. Hoewel appellant aangaf in het ziekenhuis te zijn opgenomen vanwege hartproblemen, kon hij niet aannemelijk maken dat dit verblijf na 5 april 2014 noodzakelijk was vanwege een acute noodsituatie.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen de intrekking van de bijstand ongegrond, omdat appellant niet kon aantonen dat hij niet in staat was om uiterlijk op 5 april 2014 terug te keren. In hoger beroep voerde appellant aan dat het te gevaarlijk was om te vliegen vanwege zijn hartproblemen, maar de Raad oordeelde dat dit niet voldoende was onderbouwd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank en concludeerde dat het college de bijstand op goede gronden had ingetrokken. Het hoger beroep werd verworpen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking van de bijstand wordt bevestigd.