ECLI:NL:CRVB:2016:694
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- P. Vrolijk
- R.P.T. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Beoordeling duurzaamheid volledige arbeidsongeschiktheid voor IVA-uitkering
Appellant, werkzaam als schoonmaker, viel op 28 februari 2007 uit wegens lichamelijke en psychische klachten. Het UWV stelde aanvankelijk vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, maar kende later een WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 35-80%. Na een melding van verslechtering in 2013 onderzocht een verzekeringsarts appellant en concludeerde dat hij op 1 juni 2012 geen benutbare mogelijkheden had, maar dat verbetering mogelijk was.
Het UWV weigerde een IVA-uitkering per 1 augustus 2012, omdat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam werd geacht. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat er voldoende medische grond was voor de verwachting van verbetering. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was, onderbouwd met een rapport van zijn behandelend psychiater.
De Raad oordeelde dat de verzekeringsarts een concrete en deugdelijke afweging had gemaakt van de medische gegevens, waaronder meerdere psychiatrische rapporten. Hoewel er sprake was van ernstige psychische stoornissen, waren er nog behandelopties en was de diagnostiek niet voltooid. De kans op herstel was meer dan gering, waardoor de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam was op de datum in geding.
De Raad bevestigde dat de inschatting van de verzekeringsarts ten tijde van de beoordeling leidde tot een juiste conclusie, ook al kreeg appellant later alsnog een IVA-uitkering. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de IVA-uitkering per 1 augustus 2012 bevestigd.