ECLI:NL:CRVB:2016:734
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Medeterugvordering bijstand wegens vermeende gezamenlijke huishouding niet gerechtvaardigd
Appellante werd geconfronteerd met een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Almere tot medeterugvordering van bijstandskosten die aan A waren verleend, op grond van de veronderstelling dat zij met A een gezamenlijke huishouding voerde zonder dit te hebben gemeld. Na onderzoek en diverse verklaringen, waaronder die van A en buurtbewoners, concludeerde het college dat sprake was van een gezamenlijke huishouding op het adres van appellante.
De rechtbank vernietigde dit besluit gedeeltelijk omdat de feitelijke grondslag ontbrak voor de periode van 5 augustus 2010 tot en met 22 oktober 2012, maar handhaafde het besluit voor de periode van 23 oktober 2012 tot en met 14 februari 2013. Appellante ging hiertegen in hoger beroep en betwistte dat sprake was van een gezamenlijke huishouding, onder meer omdat A onder invloed van medicatie verkeerde en zijn verklaringen onvoldoende waren.
De Raad oordeelde dat de verklaringen van A en de getuigen onvoldoende concreet en feitelijk waren om het hoofdverblijf van A op het adres van appellante vast te stellen. Ook de waarnemingen en het huisbezoek boden geen doorslaggevende aanwijzingen. Gezien het ontbreken van een toereikende feitelijke grondslag vernietigde de Raad het bestreden besluit en herroept het besluit van 25 april 2013. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot medeterugvordering van bijstandskosten van appellante is vernietigd wegens onvoldoende feitelijke grondslag voor gezamenlijke huishouding.