ECLI:NL:CRVB:2016:756

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 maart 2016
Publicatiedatum
4 maart 2016
Zaaknummer
14/2863 AKW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.J. Simon
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 7c AKWArt. 26 Besluit uitbreiding en beperking kring volksverzekeringen 1999Art. 27 Besluit uitbreiding en beperking kring volksverzekeringen 1999
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging kinderbijslag wegens bereiken 18-jarige leeftijd jongste kind

Appellant, woonachtig in Marokko en ontvanger van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, ontving kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). De Sociale Verzekeringsbank (Svb) beëindigde de kinderbijslag per het derde kwartaal van 2012 omdat het jongste kind van appellant de leeftijd van 18 jaar had bereikt. Appellant diende een nieuwe aanvraag in voor kinderbijslag voor drie kinderen geboren in 2008, 2009 en 2012, welke werd afgewezen omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij sinds 1980 kinderbijslag ontving, nu ook een AOW-pensioen ontvangt en voor zijn kinderen zorgt. De Raad oordeelde dat de aanvraag voor het derde en vierde kwartaal 2012 een verzoek om herziening betrof en dat zonder nieuwe feiten de afwijzing terecht was.

Verder werd het overgangsrecht besproken: hoewel appellant voor 1 januari 2000 verzekerd was onder artikel 26 van Pro het Besluit uitbreiding en beperking kring volksverzekeringen 1999, verviel dit artikel per 1 januari 2000 en later ook de overgangsregeling per 1 januari 2006. Op grond van artikel 7c AKW behoudt men recht op kinderbijslag zolang het jongste kind voor wie men vóór 31 december 1999 recht had op kinderbijslag nog geen 18 jaar is. Omdat het jongste kind van appellant op 21 juni 2012 18 werd, verviel het recht vanaf het derde kwartaal 2012 ook voor jongere kinderen.

De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het recht op kinderbijslag wordt beëindigd vanaf het kwartaal waarin het jongste kind 18 jaar werd.

Uitspraak

14/2863 AKW
Datum uitspraak: 4 maart 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
10 april 2014, 13/6368 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2016. Appellant is daarbij niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.S. van Zanten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 16 oktober 2012 heeft de Svb aan appellant meegedeeld dat hij vanaf het derde kwartaal van 2012 geen recht meer heeft op kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), omdat zijn dochter [A.] de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Hieraan ligt ten grondslag dat appellant, die in Marokko woont en een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ontving, recht had op kinderbijslag zolang zijn jongste kind voor wie hij recht had op kinderbijslag vóór 1 januari 2000 nog geen 18 jaar is geworden. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.
1.2.
In maart 2013 heeft appellant opnieuw kinderbijslag aangevraagd waarbij hij heeft vermeld dat hij nog drie kinderen heeft die zijn geboren in 2008, 2009 en 2012 voor wie hij kinderbijslag wil ontvangen.
1.3.
Bij besluit van 19 april 2013 heeft de Svb de aanvraag om kinderbijslag afgewezen onder verwijzing naar het besluit van 16 oktober 2012 omdat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden.
1.4.
Bij beslissing op bezwaar van 25 september 2013 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 19 april 2013 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat de aanvraag om kinderbijslag met betrekking tot het derde en vierde kwartaal van 2012 wordt aangemerkt als verzoek om herziening, omdat in het besluit van 16 oktober 2012 al was beslist ten aanzien van deze kwartalen. Het verzoek om herziening wordt afgewezen omdat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of gewijzigde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met betrekking tot het eerste en tweede kwartaal van 2013 wordt overwogen dat appellant vanaf het derde kwartaal van 2012 niet meer verzekerd is voor de AKW omdat zijn kind [A.] op 21 juni 2012 18 jaar is geworden en appellant vanaf dat kwartaal niet meer valt onder het overgangsrecht.
2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij kinderbijslag ontving vanaf 1980, dat hij nu ook een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet ontvangt en dat hij zorgt voor zijn kinderen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De Svb heeft de aanvraag van appellant om kinderbijslag met betrekking tot het derde en vierde kwartaal van 2012 terecht aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 16 oktober 2012 in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb. Nu appellant geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld, heeft de Svb de aanvraag ten aanzien van die kwartalen kunnen afwijzen onder verwijzing naar het besluit van 16 oktober 2012.
4.2.
Met betrekking tot het eerste en tweede kwartaal van 2013 geldt het volgende.
Voor 1 januari 2000 was appellant verzekerd voor de volksverzekeringen op grond van
artikel 26, eerste lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring volksverzekeringen 1999 (KB 746). Dit artikel is met ingang van 1 januari 2000 vervallen. In artikel 27 van Pro KB 746 is een overgangsregeling getroffen voor personen die tot aan 1 januari 2000 verzekerd waren ingevolge de volksverzekeringen op grond van artikel 26 van Pro KB 746 en die uitsluitend door het vervallen van dit artikel, vanaf die dag geen recht meer hebben op kinderbijslag op grond van de AKW. Voor die personen bleef artikel 26 van Pro KB 746 ook vanaf 1 januari 2000 van toepassing zolang het jongste kind voor wie de verzekerde voor die dag recht had op kinderbijslag de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt. Artikel 27 van Pro KB 746 is met ingang van 1 januari 2006 vervallen. Ingevolge artikel 7c van de AKW, zoals dat artikel luidt vanaf 2008, behoudt de persoon die op 31 december 2005 voortgezet verzekerd was op grond van artikel 27 van Pro KB 746, en die op die dag nog recht had op kinderbijslag, recht op kinderbijslag zolang het jongste kind voor wie betrokkene vóór 31 december 1999 recht had op kinderbijslag de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt.
4.3.
[A.] is het jongste kind voor wie appellant vóór 31 december 1999 recht had op kinderbijslag. Zij is met ingang van het derde kwartaal van 2012 18 jaar. Vanaf dat kwartaal heeft appellant geen recht meer op kinderbijslag, ook niet voor de kinderen die na 1 januari 2000 zijn geboren. Aan de door appellant door hem naar voren gebrachte omstandigheden kan geen verzekering ingevolge de AKW worden ontleend.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2016.
(getekend) H.J. Simon
(getekend) L.L. van de IJssel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH
’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.

HD