ECLI:NL:CRVB:2016:798
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellant diende op 28 mei 2014 een aanvraag in voor bijstand op grond van de WWB en gaf aan dat hij en zijn partner uit elkaar gingen en dat zij elders zou gaan wonen. Tijdens een huisbezoek op 16 juni 2014 werden echter talrijke persoonlijke bezittingen van de ex-partner en hun zoon aangetroffen op het opgegeven adres, waaronder kleding, speelgoed en poststukken.
Het college wees de aanvraag af omdat appellant niet kon aantonen dat hij alleen woonde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat sprake was van een overgangssituatie omdat de nieuwe woning van zijn ex-partner nog niet bewoonbaar was en dat hij vanaf 28 mei 2014 alleen woonde.
De Raad oordeelde dat de aantoonbare aanwezigheid van persoonlijke bezittingen en verklaringen van appellant en zijn ex-partner voldoende bewijs vormden van gezamenlijke bewoning in de periode van 28 mei tot 23 juni 2014. De enkele sleuteloverdracht aan de ex-partner en latere toekenning van bijstand op basis van een nieuwe aanvraag waren onvoldoende om het collegebesluit te vernietigen.
Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij alleen woonde vanaf 28 mei 2014.