Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:802

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 maart 2016
Publicatiedatum
8 maart 2016
Zaaknummer
15/283 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G. van Zeben-de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om haar aanvraag voor een WIA-uitkering af te wijzen op grond van een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Zowel de verzekeringsarts als de arbeidsdeskundige hebben beperkingen vastgesteld, maar deze waren volgens het UWV en de rechtbank onvoldoende om een urenbeperking toe te kennen.

De rechtbank Overijssel heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard en geoordeeld dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en deugdelijk was uitgevoerd. De door appellante ervaren beperkingen waren niet medisch onderbouwd en de geselecteerde functies overschreden niet haar belastbaarheid.

In hoger beroep heeft appellante dezelfde bezwaren ingebracht, maar de Centrale Raad van Beroep onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en bevestigt het bestreden besluit. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

15/283 WIA
Datum uitspraak: 4 maart 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
26 november 2014, 14/1269 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. S.J.O. Dijkstra hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2016. Appellante is met bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Weert.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 26 november 2013 heeft het Uwv de aanvraag van appellante om een uitkering ingevolge de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per
8 januari 2014 afgewezen omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is bevonden.
1.2.
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 26 november 2013 omdat zij meent dat onvoldoende beperkingen zijn aangenomen in verband met haar aanhoudende
rug- en bekkenklachten. Met inachtneming van rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het Uwv dit bezwaar van appellante ongegrond verklaard bij besluit van 15 april 2014 (bestreden besluit).
2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag ligt. De verzekeringsarts heeft wegens bekkeninstabiliteit en aspecifieke rugklachten diverse beperkingen in het functioneren van appellante aangenomen. De door appellante ervaren ernstiger beperkingen zijn niet medisch onderbouwd. De enkele stelling van appellante dat haar klachten tot objectief forse energetische beperkingen leiden en dat volledige werkhervatting tot schade aan haar gezondheid zal leiden is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat een urenbeperking is aangewezen. De rechtbank tekent daarbij aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep tegen de achtergrond van de zogenoemde Standaard verminderde arbeidsduur overtuigend heeft toegelicht dat in de situatie van appellante voor het aannemen van een urenbeperking geen aanleiding bestaat. Uitgaande van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) is het aannemelijk dat appellante in staat is om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen en met het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 14 april 2014 is naar het oordeel van de rechtbank afdoende gemotiveerd waarom de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geen overschrijdingen opleveren van de belastbaarheid van appellante.
3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de verzekeringsartsen onvoldoende beperkingen hebben aangenomen in verband met haar rugklachten. Haar forse energetische beperkingen dienen te leiden tot een urenbeperking. De door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies zijn niet passend volgens appellante.
4.1.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.2.
Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit deugdelijk is. In hoger beroep heeft appellante dezelfde gronden naar voren gebracht als de gronden die zij ook al bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat die gronden niet kunnen slagen. De Raad verwijst naar de overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak en onderschrijft deze volledig.
4.3.
Gelet op overweging 4.2 dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G. van Zeben-de Vries als voorzitter, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
4 maart 2016.
(getekend) G. van Zeben-de Vries
(getekend) L.H.J. van Haarlem

AP