ECLI:NL:CRVB:2016:825
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- P. Vrolijk
- R.P.T. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant werkte tot oktober 2009 als lader/losser en meldde zich in maart 2012 ziek met voet-, rug-, knie- en gehoorklachten. Het UWV stelde bij besluit vast dat appellant vanaf 17 maart 2014 minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op WIA-uitkering bestond. Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard door het UWV en bevestigd door de rechtbank.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de medische beperkingen ernstiger waren dan door het UWV aangenomen, onderbouwd met rapporten van huisarts en KNO-arts. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de verzekeringsartsen alle relevante informatie zorgvuldig hadden betrokken en dat de aanvullende medische stukken geen aanleiding gaven om het oordeel over de belastbaarheid te wijzigen.
De Raad concludeerde dat appellant met de vastgestelde beperkingen in staat is om passende functies te vervullen en bevestigde de eerdere uitspraak. Er was geen grond voor proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 26 februari 2016.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wordt bevestigd.