ECLI:NL:CRVB:2016:838
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van Zeben-de Vries
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toename arbeidsongeschiktheid en recht op WIA-uitkering
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV dat hij geen recht heeft op een WIA-uitkering vanaf 5 juli 2013 wegens het ontbreken van een toename van zijn arbeidsongeschiktheid. Na eerdere procedures en rapportages heeft het UWV op basis van verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige rapporten geconcludeerd dat er geen wijziging in de medische situatie is opgetreden. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn beperkingen zijn toegenomen, onderbouwd met een rapport van I-Psy en een verminderde GAF-score.
De Centrale Raad van Beroep heeft beoordeeld of het UWV zorgvuldig heeft gehandeld en of de rapporten betrouwbaar en consistent zijn. De Raad oordeelde dat de rapporten zorgvuldig zijn opgesteld en dat er geen aanwijzingen zijn dat de medische beoordeling onjuist is. Het rapport van I-Psy en de medische gegevens van de neuroloog gaven geen aanleiding tot een andere conclusie over de periode voor 20 maart 2013.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank Amsterdam dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering vanaf 5 juli 2013 omdat er geen toename van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld binnen de wettelijke termijn. Ook de aanvullende medische brieven dateren van na de relevante periode en veranderen niets aan deze conclusie. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de beslissing van het UWV blijft in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bevestigd dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering vanaf 5 juli 2013.