ECLI:NL:CRVB:2016:870
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- G. van Zeben-de Vries
- P. Vrolijk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak inzake intrekking loongerelateerde WGA-uitkering en beoordeling beperkingen
Appellante, voormalig schoonmaakster, meldde zich ziek vanwege hartklachten en fibromyalgie. Het UWV kende haar een loongerelateerde WGA-uitkering toe vanaf 22 oktober 2012 tot 22 maart 2015. Na bezwaar stelde een verzekeringsarts beperkingen minder streng vast, waarna het UWV de uitkering per 22 oktober 2012 introk wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar het UWV herzag het besluit in 2014 en besloot de uitkering ongewijzigd voort te zetten tot de maximale duur. Appellante bleef het oneens met deze beslissing en voerde aan dat haar beperkingen groter waren dan vastgesteld.
De Raad oordeelt dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 35% heeft vastgesteld, mede gelet op medische rapporten en arbeidskundige beoordeling. De Raad vernietigt de eerdere uitspraak die het intrekkingsbesluit handhaafde en verklaart het beroep tegen dat besluit gegrond, maar verklaart het beroep tegen het herzieningsbesluit ongegrond. Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het beroep tegen het intrekkingsbesluit wordt gegrond verklaard en vernietigd, het beroep tegen het herzieningsbesluit ongegrond.