ECLI:NL:CRVB:2016:970
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Geen toegenomen arbeidsongeschiktheid door dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar
Appellante, die sinds 2003 een WAO-uitkering ontving vanwege arbeidsongeschiktheid, kreeg deze uitkering in 2005 ingetrokken omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. In 2011 meldde zij een verslechtering van haar gezondheid, maar het UWV stelde in 2012 vast dat er geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid door dezelfde ziekteoorzaak. Dit besluit werd in 2013 bevestigd na bezwaar.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. Appellante stelde dat zij volledig arbeidsongeschikt was en bracht medische rapporten in, waaronder een expertiseverslag van een reumatoloog.
De Raad oordeelde dat volgens vaste rechtspraak alleen sprake kan zijn van toegenomen arbeidsongeschiktheid als deze voortkomt uit een andere ziekteoorzaak dan de eerdere. Het UWV had vastgesteld dat de klachten aan de handen, die aanleiding waren voor de melding, een andere oorzaak hadden dan de fibromyalgie die ten grondslag lag aan de eerdere uitkering. De medische gegevens toonden geen toename van beperkingen binnen vijf jaar na intrekking van de uitkering.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding tot benoeming van een deskundige en geen grond voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd dat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid door dezelfde ziekteoorzaak.