Uitspraak
15 april 2016, 14/3944 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Centrale Raad van Beroep
Appellant diende bezwaar in tegen een besluit van de korpschef tot toekenning van een functie met bijbehorende schaal. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep klaagde appellant niet over de inhoud van het besluit, maar over de overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep.
De Raad oordeelde dat de totale duur van bezwaar en beroep ruim twee jaar bedroeg, waarbij de redelijke termijn met bijna drie maanden werd overschreden. Deze overschrijding was toe te rekenen aan de rechterlijke fase, omdat de bezwaarprocedure minder dan zes maanden duurde.
De rechtbank had ambtshalve moeten toetsen of de redelijke termijn was overschreden en een vergoeding moeten toekennen, wat zij niet deed. De Raad vernietigde daarom het deel van de uitspraak waarin geen schadevergoeding werd toegekend en kende alsnog een immateriële schadevergoeding van €500 toe.
Daarnaast werd de Staat der Nederlanden veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant en terugbetaling van het griffierecht.
Uitkomst: De Staat der Nederlanden wordt veroordeeld tot betaling van €500 schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.