ECLI:NL:CRVB:2017:1080
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking voorzieningen huishoudelijke hulp en DMV bij opname in zorginstelling
Appellante, erkend als vervolgde in de zin van de Wuv, ontving een vergoeding voor huishoudelijke hulp en een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer (DMV). Na haar opname in een zorginstelling heeft verweerder deze voorzieningen ingetrokken, omdat de zorginstelling verantwoordelijk is voor de huishoudelijke verzorging en appellante geen extra kosten meer maakt.
Appellante stelde dat het beleid onredelijk is en dat voorzieningen niet automatisch moeten worden ingetrokken zonder onderzoek naar bijzondere omstandigheden, zoals het feit dat haar echtgenoot in de echtelijke woning bleef wonen en geconfronteerd werd met het wegvallen van huishoudelijke zorg.
De Raad oordeelde dat het beleid, waarbij voorzieningen worden ingetrokken bij opname in een zorginstelling, terecht is en dat het tijdelijke voortzetten van voorzieningen na overlijden van een vervolgde een andere situatie betreft. De opname in een zorginstelling betekent dat huishoudelijke werkzaamheden tot het verzorgingspakket behoren en dat er geen extra kosten meer zijn waarop de tegemoetkoming DMV ziet.
Daarom kan het bestreden besluit in stand blijven en wordt het beroep ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot intrekking van huishoudelijke hulp en tegemoetkoming DMV is ongegrond verklaard.