ECLI:NL:CRVB:2017:1088
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek toekenning uitkeringen op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
Appellante, geboren in 1939 in Nederlands-Indië, heeft meerdere aanvragen ingediend voor toekenning van uitkeringen op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Deze aanvragen werden telkens afgewezen omdat zij geen vervolging in de zin van de Wuv heeft ondergaan en haar oorlogsomstandigheden niet uitzonderlijk genoeg waren om haar met de vervolgde gelijk te stellen.
In haar laatste verzoek stelde appellante dat zij traumatische ervaringen had tijdens de bezetting en dat zij als kind leed onder tweedegeneratieproblematiek vanwege de vervolging van haar vader, die mishandeld en psychisch getraumatiseerd was. Verweerder wees het verzoek af op grond van artikel 61, tweede lid, van de Wuv, omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die aanleiding gaven tot herziening.
De Raad oordeelde dat appellante geen vervolging had ondergaan en dat de omstandigheden onvoldoende waren om haar met de vervolgde gelijk te stellen. Ook het betoog over tweedegeneratieproblematiek werd verworpen omdat dit verzoek pas na de sluiting van het beleid was ingediend en appellante geen rechtsmiddelen had aangewend tegen eerdere besluiten.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de afwijzing van haar verzoek om toekenning van uitkeringen op grond van de Wuv wordt ongegrond verklaard.