ECLI:NL:CRVB:2017:1108
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende bewijs woon- en financiële situatie
Appellant vroeg bijstand aan per 1 januari 2015, maar het college wees de aanvraag af omdat appellant niet aannemelijk maakte dat hij bijstandbehoevend was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij wel duidelijkheid had gegeven over zijn situatie en dat het college later toch bijstand had toegekend.
De Raad overwoog dat de bewijslast bij de aanvrager ligt om zijn woon-, leef- en inkomenssituatie te verduidelijken. Appellant kon niet met objectieve en verifieerbare gegevens aantonen waar hij de twee jaar voorafgaand aan zijn inschrijving bij zijn ouders verbleef en hoe hij in die periode in zijn levensonderhoud voorzag. Verklaringen van appellant en zijn moeder werden onvoldoende ondersteund door concrete bewijsstukken.
Het college kon daarom terecht de aanvraag afwijzen. Het feit dat later bijstand werd toegekend, betrof een andere periode waarin appellant wel de benodigde gegevens verstrekte. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het verzoek tot schadevergoeding af.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd wegens onvoldoende bewijs van bijstandbehoevendheid.