ECLI:NL:CRVB:2017:1317

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 april 2017
Publicatiedatum
6 april 2017
Zaaknummer
15/3330 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling aanvraag verzorgingshulp op grond van Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers

Appellant, erkend als burger-oorlogsslachtoffer op grond van psychische invaliditeit, verzocht in augustus 2014 om vergoeding van verzorgingshulp. Verweerder wees dit verzoek bij besluit van 20 oktober 2014 af, omdat de beperkingen in persoonlijke verzorging werden toegeschreven aan niet-oorlogsgerelateerde lichamelijke klachten.

Na bezwaar en aanvullend medisch onderzoek door twee geneeskundig adviseurs, die beiden concludeerden dat er geen medische noodzaak bestaat voor verzorgingshulp vanwege het psychisch oorlogsletsel, handhaafde verweerder het besluit. Het indicatiebesluit van het Centrum indicatiestelling zorg bevestigde dit standpunt.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het bestreden besluit terecht is genomen en verklaart het beroep ongegrond. Een verzoek tot uitbreiding van huishoudelijke hulp werd eveneens afgewezen, waartegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer op 6 april 2017.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor verzorgingshulp wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

15/3330 WUBO
Datum uitspraak: 6 april 2017
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. drs. H.N. Broekzitter beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 27 maart 2015, kenmerk BZ01806927 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2017. Daar is namens appellant verschenen mr. drs. Broekzitter. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant, geboren in 1929, is in 1998 op grond van psychische invaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo. Naast een periodieke uitkering zijn op grond van de Wubo aan appellant verschillende voorzieningen toegekend, waaronder een vergoeding van de kosten van twee dagdelen huishoudelijk hulp per week.
1.2.
In augustus 2014 heeft appellant verzocht om een voorziening voor de kosten van verzorgingshulp. Bij besluit van 20 oktober 2014, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de aanvraag afgewezen. In dat verband heeft verweerder overwogen dat voor de gevraagde voorziening geen medische noodzaak bestaat op grond van appellants oorlogsinvaliditeit, aangezien de beperkingen van appellant op het gebied van zijn persoonlijke verzorging veroorzaakt worden door de niet-oorlogsgerelateerde lichamelijke klachten.
2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd, komt de Raad tot de volgende beoordeling.
2.1.
Verzorgingshulp thuis behoort tot de voorzieningen die verweerder voor vergoeding in aanmerking brengt indien hiervoor een medische noodzaak is op grond van causale aandoeningen. Bij verzorgingshulp gaat het om persoonlijke verzorging in de vorm van hulp bij het wassen, douchen en aankleden.
2.2.
Verweerder heeft de aanvraag voorgelegd aan de geneeskundig adviseur A.J. Maas, arts. Deze arts heeft op basis van gegevens van de huisarts en de behandelend neuroloog geconcludeerd dat op grond van de psychische klachten van appellant geen medische noodzaak kan voor de gevraagde voorziening worden vastgesteld. Naar aanleiding van het bezwaar heeft verweerder appellant laten onderzoeken door een andere geneeskundig adviseur, de arts G.L.G. Kho. Hij heeft het advies van Maas onderschreven. Volgens Kho worden de beperkingen in de verzorging veroorzaakt door de niet-causale lichamelijke klachten van appellant en is er geen medische noodzaak voor verzorgingskosten in verband met het psychisch oorlogsletsel van appellant.
2.3.
De Raad ziet geen aanleiding anders te oordelen. Het indicatiebesluit van het Centrum indicatiestelling zorg van 19 september 2014 waarop appellant zich in bezwaar heeft beroepen, bevestigt feitelijk het door verweerder ingenomen standpunt. Het indicatiebesluit vermeldt dat de lichamelijke handicap en de somatische problematiek van appellant zorgen voor beperkingen in de persoonlijke verzorging (wassen, aankleden, huid/haren/scheren/ nagels, incontinentiezorg). Andersluidende medische gegevens zijn niet verkregen.
2.4.
De Raad merkt nog op dat bij besluit van eveneens 20 oktober 2014 verweerder afwijzend heeft beslist op het verzoek van appellant om de huishoudelijke hulp uit te breiden naar meer dan twee dagdelen per week. Tegen deze afwijzing zijn geen rechtsmiddelen aangewend.
2.5.
Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 april 2017.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) A.M. Pasmans

JL