ECLI:NL:CRVB:2017:1367
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing sociaal-culturele bijdrage op grond van Minimaregeling wegens ontbreken bewijsstukken
Appellant diende op 15 augustus 2014 een aanvraag in voor een sociaal-culturele bijdrage op grond van de Minimaregeling Vlissingen. Het dagelijks bestuur verzocht appellant om een bewijsstuk waaruit bleek dat de bankrekening van zijn partner op de peildatum 1 januari 2014 was opgeheven. Appellant verstrekte dit bewijsstuk niet tijdig.
Het college stelde de aanvraag op 13 oktober 2014 buiten behandeling en beoordeelde deze op 16 december 2014 inhoudelijk, waarbij de aanvraag werd afgewezen omdat appellant niet kon aantonen dat hij voldeed aan de voorwaarden van de Minimaregeling. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij aan de voorwaarden voldeed.
In hoger beroep voerde appellant aan wel in aanmerking te komen voor de bijdrage en verzocht om schadevergoeding. De Raad oordeelde dat appellant geen nieuwe gronden had aangevoerd die tot een ander oordeel konden leiden en onderschreef de overwegingen van de rechtbank. Het hoger beroep werd verworpen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de aangevallen uitspraak en wees tevens het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor de sociaal-culturele bijdrage blijft afgewezen; het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen.