ECLI:NL:CRVB:2017:1394
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging IOAW-uitkering wegens voortijdig beëindigde werkzaamheden en recidive
Appellant ontving sinds november 2012 een IOAW-uitkering en nam deel aan een werk- en scholingsprogramma. Meerdere keren werd zijn uitkering verlaagd wegens voortijdig beëindigde werkzaamheden door verwijtbaar gedrag en onvoldoende inzet. Het college legde een maatregel op van drie maanden 100% verlaging van de uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze maatregel ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelt vast dat appellant zijn werkzaamheden via twee bedrijven voortijdig beëindigde door zijn gedrag, lage inzet en negatieve werkhouding. Medische klachten weerhouden dit oordeel niet.
De Raad oordeelt dat sprake is van recidive binnen twaalf maanden en dat de maatregel niet buitenproportioneel is, mede gezien de beperkte duur en het feit dat appellant begin december zelf betaald werk vond. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De verlaging van de IOAW-uitkering met 100% voor drie maanden wordt bevestigd wegens verwijtbaar gedrag en recidive.