ECLI:NL:CRVB:2017:1461
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- J.L. Boxum
- M. Schoneveld
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding met medebewoner
Appellant vroeg bijstand aan op basis van de Wet werk en bijstand, maar het college van burgemeester en wethouders van Tilburg wees de aanvraag af omdat appellant en medebewoner K een gezamenlijke huishouding voeren. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad beoordeelde de periode van 19 september 2014 tot en met 29 december 2014 en onderzocht of sprake was van een gezamenlijke huishouding volgens artikel 3, derde lid, van de Participatiewet. Dit houdt in dat twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zorg voor elkaar dragen door een bijdrage aan de huishoudkosten of anderszins.
De Raad oordeelde dat K ten minste vijf maanden op het uitkeringsadres verbleef en ingeschreven stond, wat wijst op een gezamenlijk hoofdverblijf. Verder bleek uit verklaringen dat K energiekosten en internetkosten betaalde en huishoudelijke taken verrichtte, wat duidt op wederzijdse zorg. De argumenten van appellant dat het verblijf tijdelijk was en er geen financiële verstrengeling bestond, werden verworpen.
De Raad bevestigde daarom de afwijzing van de bijstandsaanvraag en wees het verzoek tot schadevergoeding af. Ook werd het verzoek om vergoeding van reiskosten afgewezen omdat het hoger beroep niet slaagde.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding; het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.