Uitspraak
A.H.G. Boelen. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken gesplitst.
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen meerdere besluiten van het UWV omtrent de betaling en inhouding van haar WIA-uitkering, waaronder medewerking aan beslaglegging door deurwaarders. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond, en veroordeelde het UWV tot betaling van wettelijke rente en vergoeding van kosten.
In hoger beroep betoogt appellante dat medewerking aan beslaglegging door het UWV een erkenning van een restschuld inhoudt, hetgeen zij betwist. Het UWV stelt dat het gehouden is medewerking te verlenen aan het beslag en geen keuze heeft, zonder erkenning van een schuld.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het UWV binnen zijn wettelijke kaders heeft gehandeld en dat de bezwaren tegen de beslaglegging aan de civiele rechter kunnen worden voorgelegd. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 19 april 2017.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV verplicht is medewerking te verlenen aan beslaglegging op de WIA-uitkering zonder erkenning van een restschuld.