ECLI:NL:CRVB:2017:1512
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van verrekening inkomsten op IOAW-uitkering ondanks bezwaar appellant
Appellant ontvangt sinds 1 augustus 2008 een IOAW-uitkering en heeft daarnaast inkomsten uit dienstbetrekking en zelfstandige arbeid. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam verrekent deze inkomsten met de uitkering, wat leidde tot meerdere bestreden besluiten en bezwaren van appellant.
De rechtbank Amsterdam verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond, waarbij werd overwogen dat de verrekening terecht op bruto-inkomen is gebaseerd en dat de vaste inkomenskorting en inhoudingen correct zijn toegepast. Ook werd geoordeeld dat de beslagvrije voet niet van toepassing is op de verrekening van reeds ontvangen inkomsten.
In hoger beroep heeft appellant zijn bezwaren herhaald, waaronder dat de bescheidenschaalregeling niet werd toegepast. De Raad oordeelt dat het college deze regeling met ingang van 1 januari 2013 heeft beëindigd en dat appellant hiertegen geen bezwaar heeft gemaakt, waardoor deze grond faalt.
De Raad concludeert dat appellant geen nieuwe gronden heeft aangevoerd die het oordeel van de rechtbank ondermijnen en bevestigt daarom de aangevallen uitspraak. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.