ECLI:NL:CRVB:2017:1516
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens niet overleggen gegevens onroerend goed in Turkije
Appellante ontving sinds 1997 bijstand en werd in 2014 geconfronteerd met een onderzoek naar mogelijk onroerend goed in Turkije dat op haar naam stond. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam verzocht om bewijsstukken zoals eigendomsbewijzen en kadasterverklaringen. Omdat appellante deze niet binnen de gestelde termijn overlegde, werd haar bijstand opgeschort en later ingetrokken.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij niet over de gevraagde bewijzen kon beschikken en dat het redelijkerwijs niet van haar kon worden verlangd deze te overleggen. De Raad oordeelde echter dat zij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij niet binnen de termijn de gevraagde stukken kon verkrijgen. Zij had bijvoorbeeld familie kunnen inschakelen of een verklaring van haar neef kunnen overleggen.
De Raad concludeerde dat het college terecht gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot intrekking van de bijstand op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB. Ook de terugvordering van kosten werd gehandhaafd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens het niet overleggen van gevraagde bewijsstukken wordt bevestigd.