ECLI:NL:CRVB:2017:1519

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 april 2017
Publicatiedatum
19 april 2017
Zaaknummer
16/3173 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen belanghebbende bij terugvordering bijstand ex-partner

Appellant maakte bezwaar tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Best waarin een terugvordering van bijstand aan zijn ex-partner werd vastgesteld. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat appellant geen belanghebbende was volgens artikel 1:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het bezwaar te laat was ingediend.

De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, stellende dat appellant slechts een afgeleid belang had dat niet rechtstreeks bij het besluit was betrokken. De terugvordering was immers gericht op de ex-partner en niet op appellant zelf.

In hoger beroep voerde appellant aan dat hij wel degelijk belanghebbende was omdat de civiele rechter had bepaald dat hij de helft van het teruggevorderde bedrag moest betalen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat dit afgeleide belang niet voldoende is om als belanghebbende in de zin van de Awb te worden aangemerkt en bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank.

Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door rechter W.H. Bel en griffier W.A.M. Ebbinge op 4 april 2017.

Uitkomst: Appellant is geen belanghebbende bij de terugvordering van bijstand aan zijn ex-partner; het hoger beroep wordt afgewezen.

Uitspraak

16/3173 PW
Datum uitspraak: 4 april 2017
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
28 april 2016, 15/3074 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] Spanje, (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Best (college)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken 15/4006 WWB en 16/3208 PW plaatsgevonden op 21 februari 2017. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.C.W. Vorstenbosch en D. Matheeuwsen. In de zaken 15/4006 WWB en 16/3208 PW wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Bij besluit van 17 maart 2015 heeft het college de aan [W.] (W), de ex-partner van appellant, over de periode van 6 oktober 2008 tot en met 29 oktober 2010 verstrekte bijstandsuitkering tot een bedrag van € 16.920,75 van W teruggevorderd.
1.2.
Appellant heeft tegen dat besluit een bezwaarschrift ingediend. Bij besluit van
14 september 2015 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant geen belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat het bezwaarschrift niet binnen de bezwaartermijn is ingediend.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen. Een belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van Pro de Awb is degene wiens belang rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken. Het belang dat appellant bij het besluit van 17 maart 2015 heeft vloeit slechts voort uit de beschikkingen van 22 maart 2011 van het Gerechtshof
´s-Hertogenbosch en van 13 januari 2012 van de rechtbank ´s-Hertogenbosch. Het betreft een afgeleid belang dat niet rechtstreeks bij het besluit van 17 maart 2015 is betrokken. De terugvordering van de bijstand bij besluit van 17 maart 2015 vindt immers niet bij appellant plaats, maar bij W. Daarom is appellant geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van Pro de Awb.
3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft in hoger beroep, samengevat, aangevoerd dat hij een afgeleid belang heeft bij de terugvordering van W omdat de civiele rechter in het kader van de boedelscheiding heeft bepaald dat de helft van het teruggevorderde bedrag van W voor rekening van appellant komt. Naar de mening van appellant is het van W teruggevorderde bedrag niet goed berekend.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat appellant geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 van Pro de Awb. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit oordeel rust. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel, in tegenwoordigheid van W.A.M. Ebbinge als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 april 2017.
(getekend) W.H. Bel
(getekend) W.A.M. Ebbinge

RH