ECLI:NL:CRVB:2017:1891
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling terugvordering bijstand na niet-gemelde bijschrijvingen ouders en grootvader
Appellante ontving bijstand en inkomensvoorziening en had op haar bankrekening regelmatig bijschrijvingen van haar ouders en grootvader. Het college herzag de bijstand en kwalificeerde de bijschrijvingen van de grootvader als vermogen, wat leidde tot een hogere terugvordering.
Appellante voerde aan dat sprake was van dubbeltelling en dat de vermogensvaststelling onduidelijk was, maar slaagde hier niet in. De Raad oordeelde dat de bijschrijvingen van de ouders als inkomen en die van de grootvader als vermogen moesten worden aangemerkt. Appellante had haar meldingsplicht geschonden door deze bedragen niet te melden.
Het college verhoogde het terugvorderingsbedrag na bezwaar, wat de Raad onterecht achtte vanwege het verbod op reformatio in peius. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en stelde het terugvorderingsbedrag vast op het lagere bedrag van €18.729,14. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het terugvorderingsbedrag wordt vastgesteld op €18.729,14 en de eerdere uitspraak vernietigd wegens strijd met het verbod op reformatio in peius.