Uitspraak
15 januari 2015, 14/5051 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, die in 2004 psychische klachten ontwikkelde en in oktober 2004 opgenomen werd wegens een psychose, vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV wees deze aanvraag af omdat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag was vastgesteld op 15 oktober 2004, een datum buiten de nawerking van het dienstverband, waardoor appellant niet verzekerd was.
De rechtbank vernietigde het eerdere besluit over de eerste arbeidsongeschiktheidsdag en gaf het UWV opdracht een nieuwe beslissing te nemen. Na nader onderzoek stelde de verzekeringsarts bezwaar en beroep vast dat de arbeidsongeschiktheid op 15 oktober 2004 begon, gebaseerd op verklaringen van appellant en zijn ouders.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond en oordeelde dat de datum terecht was vastgesteld. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de arbeidsongeschiktheid eerder was ingetreden en overhandigde loonstrookjes waaruit werkzaamheden in weken 40 en 41 van 2004 zouden blijken.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat ook bij deze loonstrookjes niet voldaan werd aan de nawerkingsvoorwaarden van artikel 10 WIA Pro zoals die golden ten tijde van het dienstverband. Daarnaast mocht het UWV de aanvraag beoordelen op basis van de toen geldende wetgeving en niet op grond van latere wijzigingen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant niet voldoet aan de nawerkingsvoorwaarden.