Uitspraak
1 februari 2016, 15/3260 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving sinds 2008 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (thans Participatiewet). Het college voerde een rechtmatigheidsonderzoek uit en nodigde appellante uit voor gesprekken waarbij zij gevraagde gegevens, waaronder bankafschriften, moest overleggen. Appellante verscheen niet op de afspraken van 21 en 24 november 2014 en leverde de gevraagde stukken niet aan.
Het college schortte het recht op bijstand op en trok dit vervolgens in, omdat appellante niet meewerkte. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij bezwaar had gemaakt tegen het opschortingsbesluit en dat zij door ziekte niet kon verschijnen, maar kon dit niet aannemelijk maken met concreet bewijs.
De Raad concludeerde dat het college bevoegd was de bijstand in te trekken conform artikel 54 van Pro de Participatiewet, omdat appellante verwijtbaar onvoldoende medewerking had verleend. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wegens niet verschijnen en niet verstrekken van gevraagde gegevens wordt bevestigd.