ECLI:NL:CRVB:2017:206
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam die het beroep tegen twee besluiten van het UWV ongegrond verklaarde. Het UWV had vastgesteld dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en daardoor geen recht heeft op een WIA-uitkering.
De Raad heeft beoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant onderzocht, dossierstudie gedaan en informatie van de behandelend orthopeed betrokken. Hoewel er sprake is van toegenomen knieklachten, leidt dit tot zwaardere beperkingen voor lopen en staan, maar niet tot een mate van arbeidsongeschiktheid boven de 35%.
Appellant stelde dat zijn klachten in samenhang onvoldoende zijn beoordeeld en dat hij energetisch beperkt is, maar dit is niet onderbouwd met medische gegevens. De Raad concludeert dat de klachten wel in samenhang zijn beoordeeld en dat het standpunt van de verzekeringsarts inzichtelijk en gemotiveerd is.
De functionele mogelijkhedenlijst van januari 2014 is juist en de geschiktheid van de functies waarop de schatting is gebaseerd wordt niet betwist. Daarom wordt het hoger beroep afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het recht op een WIA-uitkering wordt ontzegd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.