Uitspraak
T. van der Weert.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, sinds 2000 gerechtigd tot een Wajong-uitkering, verzocht in 2014 toestemming om met behoud van uitkering naar Turkije te verhuizen. Dit verzoek werd door het UWV afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep daarop eveneens ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat zij volledig afhankelijk is van haar echtgenoot, die vanwege een depressieve stoornis en gebrek aan adequate therapie in Nederland genoodzaakt was naar Turkije te verhuizen. De Raad beoordeelde de medische stukken, waaronder verklaringen van een GZ-psycholoog en een Turkse specialist, en concludeerde dat er geen objectieve en dwingende noodzaak was voor de verhuizing. Er was slechts sprake van subjectieve heimwee en mogelijke betere omstandigheden in Turkije.
Verder bleek niet dat appellante volledig afhankelijk was van haar echtgenoot of dat er in Nederland geen anderen waren die haar konden bijstaan. De Raad oordeelde dat het beëindigen van de uitkering bij verhuizing naar Turkije geen onbillijkheid van overwegende aard oplevert. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het recht op Wajong-uitkering eindigt bij verhuizing naar Turkije vanwege het ontbreken van een objectieve en dwingende noodzaak.